Rotsparkiet - Neophema petrophila

Zover bekend zijn er buiten Australië geen rots parkieten gekweekt om de eenvoudige reden dat er buiten Australië geen kwekers zijn die de rots parkieten bezitten, zeer jammer, maar zeg nooit nooit.

 

Verspreiding:

Western Australia; In het zuidwesten van Australië de kuststreek bij Perth tot Albany en in South Australia bij Port Lincoln tot Adelaide ook aan de kust en enkele kleine eilandjes bv. kangaroe eiland.
  
Lengte: 21-23 cm

Algemeen:
  
Ze verlaten de kuststreek zelden, en gaan dan niet verder dan ong. 10 a 20 km. uit de kust, maar degelijke meldingen zijn toch ongewoon. Ze worden gewoonlijk paarsgewijs of in kleine groepen, tijdens de broedtijd worden nog wel grotere groepen waargenomen. In de meeste gebieden komen ze nog veelvuldig voor. Als ze naar eten zoeken zijn ze tussen de struiken en het gras of op een rots moeilijk waarneembaar door hun olijfgroene(diep mosgroene)kleur, pas bij het opvliegen vallen ze op. Als er een gure wind blaast houden ze zich meestal schuil in de dalen, en zijn dan ook het best te benaderen. Ze voeden zich vroeg in de morgen of laat in de avond met gras soorten, vruchten, en zoutachtige planten (zeekraal)  of ijsplantjes die tussen de rotsen groeien, in de uitlopen van de zee in het brakke water.

Geluid:

Een klaaglijk doordringend tsit-tsit.

Nestelen:

De man beweegt terwijl de pop met een tsit-tsit om voedsel vraagt met horten en stoten de kop open neer, waarna de pop het voedsel aanneemt, om tot een paring over te gaan. Het broeden is van Augustus tot Oktober. De  4 a 5 eieren worden in een spleet onder een overhangende rotsen in een uitgeholde steen gelegd, die alleen door de pop worden uitgebroed. De broedtijd is 18 a 20 dagen. Als de jongen in de veren beginnen te komen, klauteren ze de ouders al tegemoet om het eten aan te nemen. Na 4 a 5 weken vliegen de jongen uit, en verblijven in de groep bij hun ouders. Na 3 a 4 maanden krijgen ze hun volwassen verenkleed.
Van de rots parkiet is geen Keurtechnische aanwijzing gemaakt, omdat we deze op Tentoonstelling niet tegen zullen komen.

 

De standaard: Man Pop
Formaat 23 cm. 21 cm.
Kleur/Kleurslag Wildkleur  Wildkleur 
Schedel/nek  Bruin- olijfgroen  Bruin- olijfgroen 
Borst  Bruinolijf op gele ondergrond Bruinolijf op gele ondergrond
Buik/onderlijf  Geel  Geel 
Mantel, onderrug, stuit en bovenstaart dekveren Bruin- olijfgroen Bruin- olijfgroen
Hand- en armpennen Zwart  Zwart 
Vleugel dekveren Bruin- olijfgroen Bruin- olijfgroen
Middelste staartpennen Blauwgrijs overgaand in kobaltblauw. Schacht zwart  Blauwgrijs overgaand in kobaltblauw. Schacht zwart 
Overige staart pennen en Onderstaart dekveren Blauwgrijs, naar toppen toe iets donkerder wordend Blauwgrijs, naar toppen toe iets donkerder wordend
Onderzijde staart Geel  Geel 
Snavel  Zwartgrijs, ondersnavel iets lichter Zwartgrijs, ondersnavel iets lichter
Neusdop  Zwartbruin  Zwartbruin 
Poten  Grijs  Grijs 
Nagels  Zwart  Zwart 
Ogen  Zwart, iris donkerbruin  Zwart, iris donkerbruin 
     
Tekening:    
Voorhoofdsband  Violet overgaand in hemelsblauw Violet overgaand in hemelsblauw
Koptekening /oogring  Hemelsblauw, sluit geheel aan op voorhoofdsband Hemelsblauw, sluit geheel aan op voorhoofdsband
Buikvlek  n.v.t. n.v.t.
Vleugelbocht en vleugelrand  Smalle violette band overgaand in blauwgrijs Smalle violette band overgaand in blauwgrijs
Vleugelpennen  Violet in binnen en buitenvlag met uitzondering van de toppen, alles met lichte zoom er omheen Violet in binnen en buitenvlag met uitzondering van de toppen, alles met lichte zoom er omheen
Staart  Vage aanslag op binnenvlag Vage aanslag op binnenvlag

\r\n


Het artikel hieronder hebben we gevonden in het maandblad van de Parkieten Sociëteit.
En is met toestemming van de schrijver Jos Hubers op onze website geplaatst.
Jos hiervoor onze dank.

Voor dat de export vanuit Australië  in de begin jaren zestig definitief stopte werden praktisch alle soorten Australische parkieten in behoorlijke aantallen ingevoerd. Velen hebben zich goed vermenigvuldigt en bevolken onze volières in grote aantallen. Enkele soorten is dat helaas niet gelukt en zullen hier altijd zeldzaam blijven of zelfs nooit gehouden worden. De rotsparkiet, Neophema, petrophila,  is voor, ons aviculturisten, één van de minst bekende Australische parkietensoorten en behoort dus tot de groep die het ‘niet gemaakt hebben’.  Beschrijving
De rotsparkiet lijkt sterk op de voor ons zo bekende elegantparkiet, N. elegans, en blauwvleugelparkiet, N. chrysostoma. Het verschil zit vooral in de tint groen. Deze is bij de rotsparkiet minder sprekend en meer olijfgroen. Ook de rotsparkiet heeft een blauw voorhoofdsbandje maar daarnaast is ook een deel van het gezicht en de teugels bleekblauw getint. Dit geeft een beetje een masker effect en zorgt er voor dat het voorhoofdsbandje wat minder opvalt dan bv bij de elegantparkiet. Bij de laatste en de blauwvleugelparkiet zijn de teugels geel ipv blauw De grote slagpennen en grote vleugeldekveren zijn donkerblauw terwijl de randen van de kleine slagpennen en hun dekveren bleekblauw zijn. De hoeveelheid blauw is duidelijk minder dan de andere soorten. De onderbuik is geel met wat oranje.
Het verschil tussen de geslachten is minimaal. De volwassen pop zou wat minder blauw hebben maar dat wordt niet overal als een duidelijk verschil beschreven. De jonge vogels missen het meeste blauw aan de kop. Verder missen de mannetjes vaak de band onder de vleugels die de vrouwtjes altijd hebben.De totale lengte is gemiddeld 22 cm. In sommige publicaties kom je nog een (dubieus) ondersoort tegen nl de N. p.zietzi. Deze zou voorkomen aan de kustlijn van de staat Zuid- Australië. De blauwe band op het voorhoofd zou wat donkerder zijn en de vogel in het algemeen wat matter en de olijfkleur lichtjes bruin getint.

De rotsparkiet in de vrije natuur
De rotsparkiet komt voor in de staten Zuid en West-Australië. Het is een vogel die alleen aan de kust en op dichtbij gelegen eilanden voorkomt. Er zijn twee populaties die minimaal 1000 km van elkaar af leven. Men denkt dat het gebrek aan water in het tussenliggende gebied gezorgd heeft voor twee verschillende populaties.De rotsparkiet heeft zich heel goed aangepast aan het kale en rotsachtige kustgebied. Ondanks dat het een echte bodemvogel is heeft de vogel het volle vliegvermogen behouden. Ze vliegen dan ook, buiten het broedseizoen, over volle zee van het ene eiland naar het andere. Gewoonlijk worden ze in kleine groepjes of als paartjes waargenomen, maar waar veel voedsel te vinden is kan het aantal oplopen tot meer dan honderd exemplaren.
Tijdens het voedsel zoeken kan men ze heel goed benaderen. Het blijken absoluut geen schuwe vogels te zijn. Wel is het zo dat door hun kleur snel over het hoofd worden gezien. Ze fourageren het meest in de ochtend en de late middag terwijl ze overdag meest rusten in laag struikgewas of onder overhangend gesteente zeker wanneer het erg heet weer is.
Een ander opvallend kenmerk zijn hun veren. Deze zijn niet bepaald waterafstotend. Wanneer de vogels nat worden lijken ze bijzonder donker gekleurd te zijn, wanneer ze dicht in de buurt van meeuwen of sterns rusten is er een groot verschil waarneembaar. De parkieten die dan nat worden door de branding zien er veel minder fraai uit dan de andere kustvogels waarbij de veren wel waterafstotend zijn.Ze hebben, wanneer ze op de uitkijk zitten, een karakteristieke houding. Ze zitten dan heel duidelijk  rechtop met de borst naar voren. Wanneer ze vliegen dan willen ze nog wel eens naar een behoorlijke hoogte stijgen voor ze op de grond terugkeren. Tijdens de vlucht laten ze regelmatig hun typische geluid horen wat klinkt als tsit,tsit,tsit. Het is net weer even iets anders dan de oranjebuikparkiet, Neophema chrysogaster en de elegantparkiet die beide in hetzelfde gebied voorkomen. 
 Gedurende het broedseizoen, dat duurt van september tot december, worden er vier a vijf eitjes gelegd. Deze worden gelegd op een licht begroeide bodem of op de bodem van een holte in een rots of spleet tussen de klippen. Het laatste heeft deze parkiet de Duitse naam Klippensittich bezorgd. Soms broeden ze zo dicht bij de branding dat de eitjes door spattend water nat worden of zelfs legsels verloren gaan. 
Tijdens het broedseizoen kan het voorkomen dat op bepaalde populaire eilandjes veel paren dicht bij elkaar broeden. Dus is er dan sprake van koloniebroed.
Er zijn ook waarnemingen bekend van vogels die nog in februari zaten te broeden. Het blijkt dus dat er vogels zijn die een tweede ronde doen. 

Rotsparkieten leven hoofdzakelijk van graszaden en zaden van bepaalde kleine struikjes die tussen de rotsen groeien. Vooral op de zaden van de ‘pigface’, Carpobrotus glaucescens, zijn ze gek. Het is een kruipende plant met fel gekleurde bloemen die een beetje op onze ijsbloemen lijken. Deze groeien tegen de duinen en op sommige eilandjes. Men vermoedt dat ze ook water, in de vorm van dauw, via deze planten binnen krijgen.   
De rotsparkiet in avicultuur
Deze neophema werd voor dat de grenzen van Australië voor export dicht gingen in kleine aantallen ingevoerd. In 1963 werd er door Mr. King in de UK mee gekweekt. Hij wist dat de vogels in de vrije natuur geen holten van bomen gebruikte maar ondanks dat probeerde hij het  eerst op de conventionele manier. En inderdaad werkte het en het blijkt dat rotsparkieten genoegen nemen met normale handgemaakte nestkasten of natuurstammen.
  
Door hun weinig opvallende kleuren waren de vogels bij ons destijds niet bijzonder populair. Daarbij zijn het zeer rustige vogels die veel stil zitten waardoor  er snel vervetting kan optreden. Om vervetting tegen te gaan dienen ze in vrij ruime volières gehouden te worden. Vervetting is ook de oorzaak van onbevruchte legsels. 
  
Ze houden van een begroeide volière waar ze graag van de beschutting profiteren. De beste kweekresultaten in Australië zijn behaald in beplante volières. Kou deert ze weinig alsook hoge temperaturen.
In Australië wordt deze soort maar mondjesmaat gehouden en gekweekt. Deels komt dat door de bovengenoemde redenen,  maar ook omdat mutaties vrijwel geheel ontbreken. In de jaren tachtig is er een cinnamonmutant gekweekt
  
De kweek vind ruwweg plaats tussen september en februari, afhankelijk van de staat waar men woont. Vaak broeden de vogels  tweemaal in één seizoen maar dan is het oppassen met het tweede broedsel. Deze zal midden in de zomer vallen en de temperaturen kunnen dan zeer hoog zijn iets waar de jonge vogels erg gevoelig voor zijn. 
Ze leggen 3 tot 4 eitjes met uitschieters tot zes. De broedduur varieert van 18 tot 21 dagen. De jongen vliegen uit op een leeftijd van ca 4 tot 5 weken.
De vogels worden gehouden op een dieet wat overeenkomt met het voer wat wij aan neophema’s verstrekken. Zonnepitten en hennep worden, vanwege het snel vet worden, achterwege gelaten. Er zijn kruisingen bekend met alle drie overeenkomstige soorten, dus de elegant, blauwvleugel en oranjebuikparkiet.
  
Het is een grote vraag of we, hier in Europa, ooit in de gelegenheid komen om rotsparkieten te houden. Mij is het niet bekend of ze ergens worden gehouden. Mogelijk dat er in de jaren negentig enkele vogels via Nieuw Zeeland zijn ingevoerd. Ik acht die kans gering.
Waarschijnlijk zou men wanneer er nu import zou plaats vinden  meer de best gedaan hebben om de vogels in onze volières te behouden dan toen. Volgens de collegakwekers in Australië zijn ze niet moeilijker dan de ons bekende neophemasoorten. 
Komt er nog een herkansing? Dat is de grote vraag.
  
Literatuur
JOSEPH M.FORSHAW & WILLIAM T. COOPER (1985): Australian Parrots. Melbourne.
TONY JUNIPER & MIKE PARR (1998): Parrots, A Guide to the Parrots of the World. Sussex